Lifestyle

Voor altijd jong

Iedereen wil oud worden, maar bijna niemand wil oud zijn. Dat is niet alleen nu zo, al eeuwen geleden probeerden mensen de ouderdom, inclusief de lasten, uit te stellen.

 

Na zijn veertigste verjaardag voorspellen de artsen van Alvise Luigi Cornaro dat hij nog maar een paar te maanden te leven heeft, tenzij hij gezonder gaat leven. De rijke Venetiaan, geboren rond 1465, heeft zijn lichaam verwoest met wijn, schranspartijen, feesten en nog veel meer wijn. Hij heeft een slechte spijsvertering en lijdt aan jicht.

Cornaro bedenkt uit wanhoop een uiterst strikt dieet: hij eet per dag niet meer dan 400 gram vast voedsel en drinkt daarbij niet meer dan een halve liter wijn. Zo hoopt hij de dood nog een tijdje uit te stellen. En dat lukt beter dan verwacht: Cornaro sterft pas in 1566, op zeer hoge leeftijd dus. Tot vlak voor zijn dood verkeert hij nog steeds in redelijk goede gezondheid.

Luigi Cornaro geniet ondanks zijn strenge dieet, of misschien wel dankzij dat dieet, met volle teugen van zijn oude dag: ‘Mijn bestaan is een onafgebroken afwisseling van genoegens, geen wachten op de dood’, schrijft hij op zijn 83ste.

Cornaro promoot zijn sobere lifestyle in pamfletten en boeken: ‘Ik ben nu 86 en voel mij gezond. Mijn zintuigen werken nog zeer goed; net als mijn tanden, mijn stem, mijn geheugen en mijn spierkracht. En wat beter is: mijn geestesvermogen vermindert niet naarmate ik in leeftijd vorder, want hoe ouder ik word, hoe minder vast voedsel ik eet. O, hoe goed is niet het voor een oude man om weinig te eten!’

Lichaamsvocht

Jong en gezond blijven, de dood uitstellen: Luigi Cornaro was natuurlijk niet de enige Europeaan die in de zestiende en zeventiende eeuw op zoek ging naar een manier om de ouderdom en de naderende dood buiten de deur te houden.

Ook in de Lage Landen hield de kwestie mensen bezig. Veroudering had volgens artsen te maken met de verstoring van het evenwicht van de vier lichaamsvochten – bloed, gele gal, zwarte gal en slijm. Deze verstoring leidde weer tot het wegvloeien van warmte: de bron van het leven. Daardoor werden ouderen steeds kouder en droger, zo was het idee.

Onaantrekkelijk

Ouderen genoten weinig aanzien, ze zouden gierig, onaantrekkelijk, bemoeizuchtig en babbelziek zijn. In zijn Lof der Zotheid uit 1512 vergeleek Erasmus ouderen met baby’s. Want ze hadden allebei ‘wit haar, een mond zonder tanden, een kleine gestalte, trek in melk, spraken hakkelend, leden aan babbelzucht, malligheid.’

In spreekwoorden werd met ouderen de draak gestoken: ‘Hoe ouder hoe vrecker’, bijvoorbeeld. Of: ‘Gerimpeld vel mint niet wel.’ Die minachting was een beetje vreemd, erkende men zelf, want iedereen wilde zelf natuurlijk wel oud worden. ‘Ouderdom, hoe sijt gij zo veracht, terwijl een elck u so begeert?’ was ook een spreekwoord.

Veel eerder oud

In de zeventiende eeuw zag je er ook veel eerder oud uit dan tegenwoordig. Er bestonden geen geneesmiddelen tegen botontkalking, waardoor veel vrouwen na de overgang krom gingen lopen. Wie de veertig was gepasseerd had grijs haar (de meeste getrouwde vrouwen bedekten dat) en de meeste inwoners van de Republiek waren rond hun 45ste levensjaar hun tanden kwijt.

Kunstgebitten bestonden niet – alleen de echt rijken konden heel zware exemplaren van ivoor kopen. Er waren nauwelijks brillen of hoorapparaten. Je kon hooguit een grote toeter tegen je oor houden. Kortom: na je 55ste was je in de zeventiende eeuw bejaard.

Veel bewoners van de Republiek probeerden die ouderdom zo lang mogelijk uit te stellen. Daarvoor bestonden allerlei adviezen. Veruit de belangrijkste was: ga op dieet, zoals Cornaro een eeuw eerder ook al had gepredikt. De meeste zeventiende-eeuwse artsen adviseerden geen uithongering, maar matigheid.

Kleine porties kippenvlees, eieren en honing, af en toe wat bier, rijpe vruchten en pruimensap, dat laatste was ook goed voor de stoelgang. Artsen waarschuwden tegen het drinken van elixers of het slikken van allerhande poeders en pillen tegen ouderdom: want dat waren ‘snorkerijen’, oftewel oplichterspraatjes.

Twee maagden

Jezelf warm houden was ook erg belangrijk, dachten artsen. De Leidse Herman Boerhaave (1668-1738), bijvoorbeeld, raadde zelfs een ouder wordende Amsterdamse burgemeester aan om tussen twee jonge maagden te slapen. Dat zou het wegvloeien van zijn warmte tegengaan. Wie geen maagden had om tegenaan te slapen, kon ook honden gebruiken.

Ook kruidenbaden werkten verwarmend. Daarin konden kamille, rozemarijn, of lavendelbloemen worden gestrooid, schreef Boerhaave in het boek Konst om lang gezondt, vrolyk en vergenoegt te leven.

Belachelijk

Wie in eenmaal een respectabele leeftijd had bereikt, hoorde zich bij zijn of haar ouderdom neer te leggen, zich terug te trekken uit het openbare leven, veel te lezen en veel na te denken. Wie dat niet deed maakte zich volstrekt belachelijk.

Zo schreef de Engelse Lady Sarah Cowper (1644-1720)  afkeurend in haar dagboek (ze liep toen zelf tegen de zestig): ‘Ik heb mevrouw W. ontmoet, van wie gezegd moet worden dat ze haar gezicht met verf heeft verpest. Ze is minstens zo oud als ik, en bovendien niet gezond, maar doet zich belachelijk jong voor, toont haar borsten en oren en versiert die met fonkelende edelstenen, terwijl haar ogen er doods uitzien, haar huid verschrompeld is, wangen ingevallen, bevend hoofd, trillende handen.’

Je jonger voordoen dan je was bleef tot ver in de negentiende eeuw taboe in Europa. Dat betekende natuurlijk niet dat vrouwen het niet probeerden. In 1858 schreef de Ierse danseres en courtisane Lola Montez een dik boek vol handige tips tegen veroudering: The arts of beauty.

Tijdens het slapen flinterdunne plakjes rauw rundvlees op je gezicht leggen hielp tegen rimpels, schreef ze, net als een bad nemen in warme melk. Maar een andere tip van Lola was een stuk minder onschuldig: ‘Modieuze dames bezoeken in de Bohemen de arsenicumbronnen, om het water te drinken, waardoor hun huid een transparante bleekheid krijgt.’ Dat arsenicum dodelijk is, namen deze dames op de koop toe.

Apentestikels

In de loop van de negentiende eeuw gingen Europese artsen serieus op zoek naar echte ‘verjonging.’ De ouderdom uitstellen was niet meer genoeg: de moderne mens moest terug kunnen naar zijn jeugdige lichaam.

Bij deze ‘medische’ zoektocht speelden geslachtsdelen een grote rol. De Franse professor Charles Brown-Séquard, bijvoorbeeld, dacht dat mannen verouderden door de afname van de spermaproductie. Op zijn 72ste begon hij zichzelf te injecteren met een mengsel van hondensperma en bloed uit de teelbal. Naar eigen zeggen voelde hij zich daarna jaren jonger.

Brown-Séquards collega-arts Serge Voronoff ging verder. Hij transplanteerde aan het einde van de negentiende eeuw apentestikels in 43 mannelijke patiënten. Ze zouden hierdoor niet alleen hun libido terugkrijgen, maar over de hele linie verjongen, was de gedachte.

Steeds meer mogelijk

Maar na een aantal jaren van dit soort bizarre experimenten moest de medische wereld concluderen dat echt jonger worden simpelweg onmogelijk was. Wat vanaf 1900 gelukkig wel steeds beter kon, was jonger líjken.

Omdat steeds meer mensen in de westerse wereld dat wilden, werd het ook steeds minder raar om een jeugdig uiterlijk na te streven. Waarschijnlijk speelde bij die omslag de verspreiding van elektrisch licht een grote rol, want rimpels en verkleuringen waren in de spiegel plotseling veel beter zichtbaar dan bij kaarslicht.

Bovendien werden verjongingsmiddelen waar mensen in 1700 alleen van konden dromen in de twintigste eeuw werkelijkheid. Zoals de facelift, of een soort Botox: vanaf ongeveer 1920 was het allemaal mogelijk.

De chirurg Charles Willi was tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw de populairste plastisch chirurg van Londen. Een hele prestatie voor iemand zonder enige medische opleiding. Willi experimenteerde met vetinjecties in het gezicht, om rimpels weg te werken.

Hij schreef in 1926: ‘Een dame komt de studio binnen met een permanente frons, en een paar minuten later is de frons voorgoed verdwenen.’ Dat ‘voorgoed’ was trouwens niet helemaal waar. Het lichaam nam het geïnjecteerde vet weer op, en dan was de cliënte terug bij af.

Maar dat gaf niks, vond Willi: ‘Er is geen pijn, geen gevaar: het is een directe en pijnloze verjonging!’ De zoektocht naar de eeuwige jeugd was wat hem betrof voorbij.

 

Slimme tantes

Voordat antirimpelcrèmes bestonden, smeerden vrouwen al goedjes op hun huid. De Engelse operazangeres Madame Vestris wreef in de negentiende eeuw bijvoorbeeld haar gezicht ’s avonds in met een pasta van gekookt eiwit, aluin en amandelolie.

Een mengsel dat haar huid misschien wel geholpen heeft, denkt David Janson, die aan het LUMC onderzoek doet naar huidveroudering: ‘Amandelolie is namelijk goed voor de huid’, zegt hij. ‘Het is rijk aan vitaminen, mineralen en andere voedingstoffen, en omdat het een vet is trekt het ook goed de huid in. Aluin en eiwit worden nog steeds gebruikt voor huidverjonging. Madame Vestris heeft waarschijnlijk wel wat gehad aan die pasta.’

Tuinwolfsmelk was ook razend populair, vertelt Janson: ‘Dat werkt bijtend en irriterend, maar door de schade die je aan de huid toebrengt forceer je dat die zich regenereert: een soort chemische, of in dit geval biologische peeling.’ Vrouwen gebruikten het tuinswolfsmelk vooral om wratten of pukkels te verwijderen. Janson: ‘Maar je kreeg er ook een mooie strakke huid van.’

Vergrijzing

In de zeventiende eeuw werd je in de Republiek gemiddeld dertig jaar oud. Maar dat betekende niet dat geen ouderen waren. De levensverwachting werd gedrukt door de hoge kindersterfte. Wie eenmaal de twintig had gehaald, maakte grote kans een respectabele leeftijd te bereiken.

Ongeveer tien procent van de Nederlandse bevolking was in de zeventiende eeuw ouder dan zestig. Dat was voor Europese begrippen best veel: alleen Engeland telde procentueel evenveel ouderen.

In de negentiende eeuw verjongde Nederland: in 1830 was 5 procent van de Nederlandse bevolking ouder dan 65 jaar. In de loop van de twintigste eeuw vergrijsden we weer, zo was 1990 12,5 procent boven de 65. En in 2025 zal zo’n 25 procent van de Nederlandse bevolking ouder zijn dan 65 jaar.

Een dictator wordt niet kaal

Jong en gezond blijven is voor een dictator van levensbelang. Daarbij hoort een volle haardos. Deze machthebbers schaamden zich voor hun wijkende haargrens:

– De eerste Romeinse keizer Julius Caesar verborg zijn kaalheid door zijn haar over zijn hoofd naar voren te kammen. Caesars opvolgers kopieerden het kapsel.

– De Italiaanse dictator Benito Mussolini verdoezelde op zijn vijftigste zijn kaalheid te verdoezelen door zijn hoofd te scheren in het openbaar te verschijnen met een hoed of helm op.

– In de jaren vijftig gaf de Sovjetdictator Joseph steeds minder interviews. Hij wilde zo niet alleen zijn toenemende vergeetachtigheid camoufleren, maar ook voorkomen dat zijn dunne haar op de foto zou worden vastgelegd.

De Grote Kauwer

Hoe beter je je voedsel kauwt, hoe minder je hoeft te eten en hoe sterker je lichaam wordt, beweerde de Amerikaanse dieetgoeroe Horace Fletcher aan het einde van de negentiende eeuw.

Het menselijk lichaam was een soort machine, zei Fletcher, en als de brandstof – het eten – beheerst naar binnen gaat, is dat goed voor de motor – het hart. Daarom zou je iedere hap voedsel ten minste dertig keer moeten kauwen voor je het doorslikt, en het liefst zelfs honderd keer.

In 1913 schreef Fletcher het boek Fletcherism: What it is or How I became Young at Sixty. Voor altijd jong, dus. Tot aan zijn dood in 1919 reisde hij de wereld rond om het ‘fletcherisme’ te promoten. Zijn bijnaam was niet verrassend: The Great Masticator, oftewel De Grote Kauwer.

Dagcrème-vendetta

De Verenigde Staten telde rond 1915 twee echte cosmetica-diva’s: Elizabeth Arden, in Canada geboren als Florence Graham, en Helena Rubinstein, oorspronkelijk afkomstig uit het Poolse Krakow.

De twee vrouwen hadden veel gemeen: ze kwamen allebei uit een arm milieu, en hadden een talent voor het verkopen van luxe cosmetica, crèmes en schoonheidsbehandelingen. Ruim vijftig jaar lang waren ze bittere concurrenten.

Hoewel ze elkaars ondernemingen scherp in de gaten hielden, wilde geen van beide de naam van de ander hardop uitspreken. Rubinstein noemde Arden ‘de andere’, Arden noemde Rubinstein op haar beurt ‘die vrouw.’ De diva’s ontmoetten elkaar nooit persoonlijk.

Toen Rubinstein op leeftijd was – ze liet haar haar iedere maand zwart-blauw verven – zou zij Arden in het voorbijgaan hebben gezien. Naar verluidt zei ze triomfantelijk: ‘Ha, teveel haarkleuring voor een vrouw van haar leeftijd.’

Meer informatie

Boek: In het boek The long history of old age, onder redactie van Pat Thane (Thames & Hudson, 2005) lees je veel meer over de geschiedenis van de ouderdom, vanaf de klassieke oudheid tot de twintigste eeuw.

Blog: het supergrappige Weird History-blog schreef een post met een tip uit 1780: wil je lang leven, inhaleer dan de adem van jonge maagden…

Dit artikel schreef ik in opdracht van Quest Historie. Het verscheen in nummer 4, 2012

Deel dit artikel:
Literatuur

Literatuur

Lola Montez, The art of beauty (1858)
Lydia Child, Looking toward sunset: From sources old and new (1866)
Arthur Marwick, Beauty in history : society, politics and personal appearance, c. 1500 to the present (1988)
J.C. Dekker e.a., Levensloop, cultuur en mentaliteit (1990)
Bert Park, Ailing, aging, addicted: Studies of compromised leadership (1993)
Sander L. Gilman, Making the body beautiful. A cultural history of aesthetic surgery (1999)
Lindy Woodhead, Warpaint: Madame Helena Rubinstein and Miss Elizabeth Arden (2003)
Pat Thane, The long history of old age (2005)
Geoffrey Jones, Beauty imagined : a history of the global beauty industry (2010)

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *