Experiment

Experiment: meevechten in een veldslag

Hoe voelde dat eigenlijk, zo’n uniform aan en dan recht op de vijand afmarcheren?

Experiment: Hoe is het om mee te vechten in een negentiende-eeuwse veldslag?

Hypothese: Daar vind ik vast niks aan

Conclusie: Zie hieronder

In de nacht van 17 op 18 juni 1815 regende het zonder ophouden, vertelde een Napoleonkenner mij onlangs. Dat was precies de nacht vóór de Slag bij Waterloo. Zul je net zien: sta je op het punt te sterven, word je ook nog eens zeiknat geregend en moet je met je musket door een gigantische modderpoel waden.

Hoe was dat eigenlijk, zo’n negentiende-eeuwse veldslag? En dan niet de cijfers, maar het gevoel? Wat droeg je voor uniform? Hoe werkt zo’n musket? Ik testte het, op uitnodiging van de Napoleontische Associatie der Nederlanden. Eén dag was ik soldaat bij de Franse Infanterie.

7:30
Ik heb slecht geslapen, misschien wel van de zenuwen. Voor de spiegel doe ik m’n make-up op. Arg! Vergeten te vragen. Mag dat wel, make-up? Nou ja, een vrouw als soldaat laten meevechten is ook niet historisch juist, dus met die mascara zal het vast loslopen.


9:00
Ik rijd de parkeerplaats op. Daar zie ik naast Nederlandse ook Belgische en Franse auto’s staan. In de verte achter de bomen ligt Slot Loevestein. Terwijl ik m’n kistjes van de achterbank haal (ik verwacht modder) zie ik verderop een kolonel uit een blauwe Fiat stappen. Ik loop richting het kasteel. Koud!

9:15
Vlakbij de poort wijst een in uniform en schapenvel gestoken luitenant een bestelbusje de weg. Het blijkt geen luitenant maar een korporaal en het is Sean van Hese, die de dag heeft georganiseerd. Hij loodst me over de brug naar het officierskwartier. Daar is het lekker warm.

9:30
Het bestelbusje blijkt vol te liggen met buskruit. De zes dozen worden in de bedstee neergelegd. Sean: ‘Dat is de droogste plek.’ Eén voor één komen de officieren langs om hun kruit te halen. De rij staat tot buiten. Ik voel me misplaatst met m’n gympen en m’n hippe sjaal. Elke officier krijgt een paar plastic containers met buskruitkorrels en zet z’n handtekening.
Sean inventariseert bij een officier: ‘Heb je tamboers bij je?’
‘Nee.’
‘Heb je een vaandeldrager?’
‘Nee, die viert carnaval.’

10:00
Ik mag meevechten met het vijfentachtigste regiment van de Franse Infanterie. Een paar diehard Duitsers uit Xanten nemen me mee naar het kampement. Ze gaan zitten rond een kampvuur: hier hebben ze vannacht op strooien matten geslapen. Zij liever dan ik. Ik vraag waarom ze geen Pruissische soldaten zijn. ‘We hate the Prussians.’

10:30
Ik heb het behoorlijk koud, ook al zit ik bijna in het kampvuur. Maar: de werkstress glijdt van me af. Ik hoor het klapperen van tentdoek, in de verte geklingel van een pan, het ritselen van bladeren in de beukenhaag. Relaxed hoor, zo’n bivak. Ik klets wat met Casper, Roel en Vincent, die ook nieuw zijn.

10:45
Veteraan Truus maakt papieren rolletjes voor het buskruit – cartouches. Die hebben we straks nodig bij het vechten. Dat is waar ook. Dat gevecht was ik bijna vergeten, terwijl ik m’n handen warmde aan de koffie van de kok Willem.

11:00
Ja! M’n uniform is gearriveerd! Marketentster Christine geeft me een witte broek, een wit overhemd, een vilten gilet, witte slobkousen en een lange grijze overjas. Die is warmer dan m’n eigen winterjas, fijn! Om het geheel feestelijk af te maken een muts: charming. Alles zit nogal ruim, maar dat is logisch, want ik ben zelfs voor een negentiende-eeuwse Franse soldaat aan de kleine kant.

12:00
Tijd voor een schermutseling. We wachten tot iedereen klaar is. Dan marcheren we met acht man naar de poort. Dat klinkt makkelijker dan het is. Het musket balanceert vervaarlijk op m’n hand – gelukkig is het een dummy die niet kan afgaan. Ik probeer de aanwijzingen van Sean, de korporaal, op te volgen. ‘Gauche, gauche, gauche-droite-gauche.’ Is gauche nou links of rechts?

12:30
We marcheren in formatie over het veld. Het is vooral niet de bedoeling dat je zelf nadenkt, blijkt. Als de korporaal zegt: ‘Marche!’ dan gá je, al moet je door een distel of de paardenstront. De musketten en kanonnen klinken harder dan ik had verwacht. Ik krijg het warm in de overjas. Voel me ook lichtelijk opgelaten omdat ik steeds de verkeerde kant op loop. Mijn geweer wordt overgenomen door een ervarener soldaat.

12:45
De doorgewinterde Duitsers staan vooraan en laden hun musket geroutineerd. Alsnog duurt dat eindeloos. Hun rechterhanden zien zwart van het buskruit. Ik voel me nutteloos zonder geweer. Maar dat zal in het echt ook vaak zat zijn gebeurd: vuursteentje kwijt, buskruit op, stampertje stuk – pech voor je, kerel.

13:00
De schermutseling is geëindigd in een roemloze aftocht voor het 85ste regiment. Gelukkig heeft Willem op het kampvuur negentiende-eeuwse kip pilav gemaakt om ons op te vrolijken.

14:00
Ik loop het kasteel binnen en zoek een plekje in de vensterbank. M’n wollen jas laat ik aan. Langzaam word ik warm. Achter mij geeft iemand een groep negentiende-eeuwse dansers aanwijzingen. Uit het raam zie ik een toiletkeet. Er lopen twee officieren in vol ornaat langs. Eén van hen draagt een Aldi-tas. Op m’n telefoon zie ik dat m’n kamergotchi dood is. Toen en nu botsen en schuren.

15:00
Het is weer tijd om te vechten: kijken of ik het er levend van af breng. Verkoopster Carolien gaat nu ook mee het slagveld op, met een fles ‘vloeibare moed’. Ik mag alvast een klein glaasje proeven: lekker, brandewijn! Ze verkoopt ook vieze boekjes, maar die zijn voor na de veldslag.

16:00
Dit is het vreemdst: je marcheert je tegenstander tegemoet, steeds dichterbij komt hij. Je bent nog maar twintig, dertig meter bij hem vandaan. Je ziet dat hij zijn geladen musket op je richt. Nog steeds loop je door, strak naast elkaar. Dan: enorme knallen en flarden rook. Geen echte angst, want er kan niets gebeuren, maar toch voel je een zekere spanning.

17:00
Helaas: ook dit keer rent het 85ste regiment in paniek terug naar de poort. Na een inspectie van de geweren zit het erop. Kapot moe ben ik van het lopen en vooral van al het wachten op orders. Als ik terugloop naar de parkeerplaats zie ik Sean. Ik zeg dat ik blij ben om weer terug te gaan naar de eenentwintigste eeuw. Hij lacht en zegt: ‘Ja, na elke re-enactment rij ik langs bij de McDonalds.’

Conclusie: Dit was oprecht veel interessanter dan ik had gedacht. Je ziet en voelt dingen die je nooit zo had bekeken. Het zal vast goedkoop zijn geweest, zo’n witte broek, maar één knie op de grond en hij is smerig. Het opgaan in de groep, niet denken maar doen. Wachten-marcheren-wachten-marcheren. Het enige dat je nooit zal kunnen herbeleven is de angst waarvan je weet dat die er moet zijn geweest – het blindelings aflopen op je dood. Ik weet ook niet of ik dat zou willen herbeleven.

Doen we het nog eens? Waarschijnlijk niet als deelnemer. Toch teveel gehecht aan de eenentwintigste eeuw om me echt te kunnen laten gaan. Maar: zeker nog eens als bezoeker. Die kanonnen! Die musketten! In Almelo, misschien?

PS Met dank aan Christine Sepers voor de vecht- en marcheerafbeeldingen. Zij maakte veel meer prachtige foto’s van de dag…

Deel dit artikel:

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *