Hoofdstuk

Hoofdstuk 1 – Korte metten met die rat

Boven m’n hoofd klinkt een vreemd suizend geluid en dan een klap alsof de bliksem inslaat. Splinters vliegen om me heen: één raakt met een steek mijn wang, een andere prikt door het fluweel van mijn mouw.

Ik moet weg hier! Ik kijk op. De houten dwarsbalk boven m’n hoofd wiegt knarsend heen en weer, hangt even stil en valt dan naar beneden. Direct daarna klinkt gescheur en geratel: de balk heeft een stuk van het enorme achterzeil meegesleept, kettingen en touwen storten zich in een kluwen naar beneden. Net op tijd spring ik opzij. Ik voel de planken onder me schudden.

Wat gebeurt er? Eén minuut geleden stond ik nog aan de reling over het water uit te kijken, te luisteren naar het kraken van het schip.

De schipper rent het dek op, een lang zwaard in zijn handen. ‘Grijp de wapenen!’ roept hij. ‘Kanonnen opstellen!’ Nóg zo’n suizend geluid.

‘Pas op! Daar komt er weer één!’ gilt de dame in een paarse jurk die net naast me aan de ontbijttafel zat. Op een meter van haar voet slaat een tweede kogel in de planken. De dreun blaast haar omver. Opnieuw een splinterregen. Ik duik in elkaar.

Het schip dat ons beschiet ligt een paar honderd meter verder, zie ik als ik half overeind kom. Ik had het helemaal niet opgemerkt. Het is klein en onooglijk: de grote mast reikt nog niet eens tot halverwege de mast van de Charity. Wat doet zo’n klein schip met zoveel kanonnen? Nog terwijl ik het me afvraag slaat de derde kogel in. Het lawaai aan boord is hels: gekraak van planken, geschreeuw van mensen in paniek.

‘Kalm blijven!’ brult de schipper, zijn gezicht rood aangelopen.

‘We worden levend verbrand!’ krijst de koopman in thee met wie ik vorige week ruzie had. Hij trekt aan de punten van zijn grijze snor en springt als een kuiken op en neer.

Er druipt iets warms in mijn nek. Bloed. Ik raak voorzichtig m’n wang aan. De splinter zit er nog in. Maar voordat ik ‘m eruit kan trekken zie ik ze komen: de kapers.

Het lijkt een droom, die kerels die zonder enige moeite hun benen over de reling zwieren en op hun gemakje komen aankuieren.

Die daar, dat is de baas: een beer van een vent met een eivormig hoofd en een ooglap over één oog. Hij draagt een glanzend groen vest, zijn dikke vingers omklemmen een dolk. Achter hem een volgeling, en nog één, en nog één. In een golf komen ze nu aan dek: zelfverzekerd, bijna lui, ze grijnzen hun zwarte tanden bloot.

Een flitsende flonkering. De koopman valt schreeuwend neer. De dame in de paarse jurk houdt maar niet op met gillen, de schipper staat te bibberen als een waterplant, zijn handen én het zwaard in de lucht gestoken.

‘Hou nonverdedomme allemaal je rotsmoelen!’ dondert dan de grote kale man. Hij heeft een opvallend lage stem. Iedereen bevriest.

‘Allemaal naar onder, en opschieten een beetje!’ Dreigend doet de man een paar passen naar voren, richting de dame in de paarse jurk. De koopman in thee ligt bewegingloos op het dek. Er steekt iets uit zijn bovenbeen – de dolk. De kale man trekt het mes in één beweging los.

‘En geen gepiep!’ schreeuwt hij, terwijl hij ermee zwaait. Druppels bloed vliegen door de lucht, weerkaatsen als robijnen het zonlicht.

Ik kijk om zich heen. Ik moet me verstoppen, vóórdat dit tuig erachter komt wie ik ben. Niemand heeft me nog opgemerkt, want ik sta verscholen achter de neergestorte dwarsbalk en de hoge stapel kettingen, touwen en stukgescheurd zeil. Het scheepstoilet. Ik hoef alleen dat trapje af. Een perfecte schuilplaats.

Ik laat me voorzichtig op handen en voeten zakken en kruip een stukje naar voren. Nee, niemand ziet me. Ik spring op en zet het op een lopen: twee, drie stappen, ik ben er bijna.

‘Thomas!’ brult plotseling die donderstem.

En bijna direct vlieg ik voorover tegen het dek. M’n wang schraapt over de ruwe planken, ik kan een schreeuw niet bedwingen. Op mijn rug voel ik een massief gewicht: iemand zit bovenop me en klemt m’n armen tegen mijn lijf.

‘’K heb ‘m, Kapitein! Waar moet -ie heen?’

‘Hier’, bast de lage stem vanaf de andere kant van het dek. ‘We maken korte metten met die rat.’

Lees gelijk het volgende hoofdstuk!

—–

En nu is het aan jou: hoe heet de ‘ik’-figuur?
Ik verklap vast: het is een jongen, 14 jaar, uit 17e-eeuws Amsterdam…

Stem op Facebook, of gewoon hier… Je kunt tot 12 september stemmen.

Hoe heet de hoofdpersoon?
  • Johannes Jonckbloet (59%, 26 stemmen)
  • Casper Quast (23%, 10 stemmen)
  • Harmen Heerschop (11%, 5 stemmen)
  • Willem Wolff (7%, 3 stemmen)
Totaal aantal stemmen: 44
Laden ... Laden ...
Deel dit artikel:

Een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Luuk reageerde op

Spannend! en toch de humor zoals ‘de dame in een paarse jurk die net naast me aan de ontbijttafel zat’. Ik kan niet wachten tot de volgende…